Het fictieve rendement bepaalt hoeveel belasting je in Box 3 betaalt, ongeacht je werkelijke rente of koerswinst. Dit artikel legt uit hoe dit wordt vastgesteld.
Hoe wordt het fictieve rendement vastgesteld?
De Belastingdienst hanteert aparte forfaitaire percentages voor spaargeld, beleggingen en schulden, gebaseerd op langjarige gemiddelden. Zie ook het verschil in Box 3 vermogensbelasting.
Verschil met je werkelijke rente
Met de huidige lage spaarrentes kan het fictieve rendement op spaargeld hoger uitvallen dan je werkelijke rente, waardoor je effectief meer belasting betaalt dan over je daadwerkelijke inkomsten. Meer hierover lees je in sparen vs. beleggen in Box 3 en de hoofdgids over Box 3 en sparen.
Dit verschil tussen fictief en werkelijk rendement is historisch een van de meest bekritiseerde onderdelen van Box 3, omdat je in theorie belasting kunt betalen over inkomsten die je simpelweg niet hebt ontvangen op je spaarrekening.
Rekenvoorbeeld: €50.000 spaargeld
Heb je €50.000 spaargeld boven je heffingsvrije vermogen, dan rekent de Belastingdienst met een fictief rendement van 1,28%: €640 wordt als voordeel beschouwd, waarover vervolgens het Box 3-tarief wordt geheven. Verdiende je bank je in werkelijkheid slechts 0,8% rente uit (€400), dan betaal je dus belasting over een hoger bedrag dan je daadwerkelijk hebt ontvangen.
De tegenbewijsregeling
Omdat het forfaitaire stelsel regelmatig leidt tot belasting over niet-behaald rendement, bestaat er een tegenbewijsregeling waarmee je op basis van je werkelijke rendement een lagere aanslag kunt aanvragen. Dit is met name relevant als je vermogen voornamelijk uit spaargeld bestaat met een rente die ruim onder het forfait ligt. Raadpleeg de actuele voorwaarden bij je aangifte, aangezien de regeling per belastingjaar kan verschillen.
Hoe het fictieve rendement is ontstaan
Tot enkele jaren geleden werkte Box 3 met één vast forfaitair rendement voor het hele vermogen, ongeacht of dit uit spaargeld of beleggingen bestond. Na kritiek dat dit vooral spaarders benadeelde bij lage rentestanden, is het stelsel aangepast naar aparte forfaitaire percentages per vermogenscategorie.
Deze aanpassing moet beter aansluiten bij het werkelijke rendement dat spaarders en beleggers gemiddeld behalen, al blijft het voor individuele belastingplichtigen nog steeds een gemiddelde benadering in plaats van een exacte berekening van hun eigen rendement.
Discussies over de rechtvaardigheid van dit systeem blijven dan ook terugkomen, voornamelijk van spaarders wiens werkelijke rente structureel onder het geldende forfait ligt.
Gemengd vermogen: sparen én beleggen
Heb je zowel spaargeld als beleggingen, dan berekent de Belastingdienst het fictieve rendement voor elke categorie apart, op basis van de verhouding tussen beide op de peildatum. Het totale fictieve rendement is vervolgens de optelsom van beide deelberekeningen.
Heb je bijvoorbeeld €40.000 spaargeld en €40.000 beleggingen boven je heffingsvrije vermogen, dan reken je over de spaarhelft met 1,28% (€512) en over de beleggingshelft met 6,00% (€2.400), samen €2.912 fictief rendement. Dit is aanzienlijk meer dan wanneer je dit hele bedrag als spaargeld zou aanhouden. Meer hierover lees je in sparen vs. beleggen in Box 3.
Het forfait voor schulden
Naast sparen en beleggen kent Box 3 een derde, apart forfait voor schulden. Heb je schulden boven de geldende drempel, bijvoorbeeld een onderhandse lening bij familie, dan verlaagt dit percentage je belastbare grondslag, ongeacht hoe je overige vermogen is verdeeld tussen spaargeld en beleggingen.
Dit forfait voor schulden ligt doorgaans lager dan dat voor beleggingen, omdat het uitgangspunt is dat de rente die je betaalt over een schuld doorgaans ook lager is dan het rendement op beleggingen. Het resultaat is dat een schuld je belastbare vermogen wel verlaagt, maar minder dan het bedrag van de schuld zelf zou doen vermoeden bij een simpele aftrekberekening.
Twijfel je of een specifieke lening of vordering als schuld meetelt voor Box 3, raadpleeg dan de actuele regels van de Belastingdienst of een adviseur, aangezien niet elke verplichting automatisch onder deze regeling valt.
Combineer je spaargeld, beleggingen en schulden binnen één aangifte, dan worden alle drie de forfaits apart berekend en vervolgens bij elkaar opgeteld tot je totale belastbare grondslag in Box 3, waarna het heffingsvrije vermogen hierop in mindering wordt gebracht.
Gebruik bij twijfel altijd de officiële rekentools van de Belastingdienst om je eigen situatie door te rekenen, aangezien de exacte percentages per belastingjaar kunnen wijzigen en een kleine afwijking in de verdeling al invloed heeft op je uiteindelijke aanslag.
Bewaar je jaarlijkse berekeningen zorgvuldig, zodat je bij een eventuele vraag van de Belastingdienst snel kunt aantonen hoe de verdeling van je vermogen tot stand is gekomen.